Home -> Online artikelen -> ‘Synchronous’ in plaatwerk

11-02-2010

Solid Edge Tips & Tricks
‘Synchronous’ in plaatwerk


Door Jaap Dubbelaar

Bij de introductie van Synchronous Technology in de voorgaande versie van Solid Edge waren alleen de Part en Assembly-omgeving voorzien van deze nieuwe manier van modelleren. In de nieuwste Solid Edge is de ‘Synchronous’ plaatwerkomgeving nu ook beschikbaar.

Naast de traditionele ‘history-based’-methode heeft Solid Edge nu ook de Synchronous werkwijze gekregen voor het opzetten en aanpassen van plaatwerkmodellen. Evenals bij normale 3D-modellen geeft dit nu ook meer vrijheden bij het werken met plaatdelen. Er worden bij de opbouw van het model geen relaties tussen de verschillende ‘features’ gelegd zodat planning vooraf niet noodzakelijk is. Alle
wijzigingen worden direct op de geometrie uitgevoerd, zonder daarbij terug te gaan in de ‘feature tree’ waarbij de aanpasbaarheid van het model sterk afhankelijk is van de eerder gekozen opbouw.


De gekozen pijlrichting bepaalt of de plaat wordt verlengd of omgezet.

Opbouw model
Een nieuw ‘Synchronous’ plaatwerkmodel start met een eerste schets die vorm geeft aan de eerste ‘feature’, een ‘Tab’. Zodra deze schets als gesloten contour is aangebracht op één van de basisvlakken en geselecteerd is, verschijnt de ‘QuickBar’ met de mogelijkheid om via de materiaaltabel een bepaalde plaatdikte met alle bijbehorende eigenschappen en instellingen te kiezen. Met de richtingspijl geeft de gebruiker de plaatdikte ten opzichte van de schets aan. Vervolgens kunnen alle overige plaatwerk-’features’ aan het model worden toegevoegd.
De meest gebruikte functie is natuurlijk de ‘Flange’, een omgezette kant. Deze wordt gestart door simpelweg de kopse kant van de plaat te selecteren. Hierna verschijnt een vereenvoudigd ‘Steering Wheel’ bestaande uit een lange en een korte pijl. Door de lange pijl (‘Primary Axis’) op te pakken, kan het bestaande plaatdeel verlengd worden. De in eerdere artikelen beschreven ‘Live Rules’ herkennen nu eventuele geometrische eigenschappen, zoals symmetrie, zodat een verlenging aan de andere zijde van het model direct en automatisch wordt doorgevoerd. Met de korte pijl (‘Secondary Axis’) wordt de omgezette kant, de ‘Flange’, aangebracht. De afmeting kan door een muisklik worden vastgelegd, of door de lengte en de hoek in te geven. Ook kan ‘gesnapt’ worden naar omliggende geometrie om afmetingen over te nemen. Tijdens het aanbrengen van de ‘Flange’ is via de ‘QuickBar’ een groot aantal instellingen te kiezen zoals ‘Material Inside/Outside’ en de ‘Partial Flange Options’. Een ander startpunt van een plaatwerkonderdeel is een ‘Countour Flange’, die opgebouwd wordt vanuit een
niet-gesloten schets. Het eerste lijnstuk van de schets zal de ‘Tab’ in de feature-opbouw worden en alle overige lijn- en boogdelen worden ‘Flanges’ en buigzones.


Door op het label ‘Dimple 4’ te klikken kunnen de parameters en de schets van de feature worden gewijzigd.

Procedural Features
Veel van de overige plaatbewerkingen zijn zogenaamde ‘Procedural features’. Dit zijn vormen met eigenschappen en parameters zoals een ‘Hole’, een ‘Break Corner’, en een ‘Louver’. Ook zijn er bewerkingen met een ingebouwde schets waarin de vorm vast ligt, zoals de ‘Bead’, de ‘Dimple’ en de ‘Drawn Cutout’. Bij bewerkingen die een schets als input gebruiken, dient deze van te voren te zijn aangebracht. De andere bewerkingen vragen de gebruiker de plaats aan te geven, waar deze aangebracht dienen te worden. Het aanpassen van een bewerking start door deze in het model of in de ‘Feature pathfinder’ te selecteren. Hierna verschijnt het ‘Steering wheel’ om de plaats van de feature te wijzigen en een tekstlabel met de naam van de feature. Door op dit label te klikken krijgt de gebruiker de mogelijkheid op de parameterwaarden te wijzigen.


Het instellen van alle opties van een ‘Louver’. Dit is een voorbeeld van een ‘Procedural Feature’.

Plaatuitslag
In de ‘EdgeBar’ van de Synchronous plaatwerkomgeving verschijnt een tabblad voor de plaatuitslag zodra deze is aangemaakt. Op de ‘Tools ribbon’ kan de weergave van het model geschakeld worden tussen ‘Design’ voor het gevouwen eindproduct en ‘Flat Pattern’ voor de uitgeslagen plaat. Eventuele modelaanpassingen hierna vereisen een update van de plaatuitslag. Deze wordt automatisch uitgevoerd door op de ‘Flat Pattern’-tab in de ‘EdgeBar’ te klikken.

Move en Rotate
De voordelen van ‘Synchronous Technology’ worden extra duidelijk zodra aanpassingen van het model noodzakelijk zijn. Verplaatsen van geometriedelen binnen het model kan eenvoudig worden uitgevoerd door deze delen te selecteren waarna het ‘Steering Wheel’ verschijnt. Op gelijke wijze als binnen de ‘Synchronous Part’-omgeving kan de verplaat-sing of rotatie worden uitgevoerd door het selecteren van het stuurwiel en de translatieassen. Tijdens deze bewerkingen kan de gebruiker de gewenste ‘Live Rules’ aan- en uitschakelen om zo automatisch modelaanpassingen over­een­komstig de herkende geometrie te sturen. Ook met de PMI-maten kunnen modelafmetingen gestuurd worden. Deze sturende maten worden automatisch van de schetsen overgezet op het 3D-model maar kunnen ook naderhand door de gebruiker worden toege­voegd. Aanpassingen van de getalwaarden zullen in het model worden doorgevoerd zoals dat ook in de ‘Part’-omgeving gaat. Eventuele ‘Procedural Features’ op plaatdelen, die verplaatst of geroteerd worden, zullen meebewegen. Zij zijn door hun ‘Feature Origin’ vast verbonden met het plaatdeel waar zij op zijn aangebracht.


Ook modellen die via een ‘STEP’-vertaling zijn geïmporteerd, kunnen met ‘Synchronous Technology’ worden aangepast.

De werking van de ‘Live Rules’ zijn hier duidelijk zichtbaar.

Kopiëren
Delen van een plaatwerkmodel, één of meer features, kunnen via het Windows klembord binnen hetzelfde model worden gekopieerd of op een ander model worden overgenomen. Na het selecteren van de te kopiëren geometrie, verschijnt het ‘Steering Wheel’ om de plaats van het ‘origin’ aan te geven. Door dit ‘origin’ naar een slimme plek, zoals bijvoorbeeld een hoekpunt, te verplaatsen kan de geometrie makkelijk op de bestemming worden neergezet. Vervolgens zorgt het ‘Attach’-commando ervoor dat de gekopieerde delen tot één geheel gemaakt worden met de rest van het model.

Geïmporteerde modellen
Ook plaatwerkmodellen, die vanuit andere CAD-systemen geïmporteerd zijn, kunnen met Synchronous Technology bewerkt worden. Eén van de krachtigste eigenschappen van deze techniek is het kunnen aanpassen van modellen zonder feature-opbouw. Krijgt een gebruiker bijvoorbeeld een STEP-bestand toegestuurd dan is de werkwijze als volgt: Open het STEP-bestand met een Synchronous Sheetmetal template. Vervolgens wordt het ingelezen model met de functie ‘Transform to Sheet Metal’ omgezet naar plaatwerk. Eventuele ribben die geopend moeten worden om een plaat-uitslag mogelijk te maken, dienen hierbij aangegeven te worden. Het resulterende model kan met de hiervoor geschreven bewerkingen aangepast of uitgebreid worden.

Jaap Dubbelaar is freelance redacteur voor CAD-Magazine. Voor dit onderwerp zie ook: www.solidedge.com en
www.solidedge.nl.  Eventuele vragen of opmerkingen zijn welkom via: solidedge.benelux.plm@siemens.com.