Gelijkwaardigheid en gezamenlijke verantwoordelijkheid in de bouw

7 januari 2015

Geen centraal model in AIM van VAA.ONL

Het Eindhovense architectenbureau Van Aken Architecten (VAA.) en het Rotterdamse architectenbureau ONL [Oosterhuis_Lénárd] (ONL) hebben een joint venture opgericht onder de naam VAA.ONL. Dit samenwerkingsverband richt zich onder andere op onderzoek en innovatie binnen de bouwsector en de ontwikkeling van ICT-oplossingen voor complexe ruimtelijke opgaven. De belangrijkste taak van de joint venture is echter dat het een geheel nieuwe ontwerpmethode wil toepassen: Associative Information Modeling, ofwel AIM.

Door Lambert-Jan Koops

Gijs Joosen, senior architect bij ONL, is niet alleen geïnteresseerd in het ontwerpen van gebouwen, maar heeft ook een fascinatie voor het ontwerpproces en dan met name voor de manier waarop het ontwerpproces te automatiseren en te verbeteren valt. “Ik probeer altijd een proces zo lean mogelijk op te zetten, door niets meer te doen dan strikt noodzakelijk is. Ook bij grotere projecten binnen ONL is dat altijd het uitgangspunt. Onze directeur, Kas Oosterhuis, is namelijk tevens hoogleraar in Delft en werkt daar ook altijd aan manieren om software op het scherpst van de snede te gebruiken en te implementeren.”

Automatisering
Een goed voorbeeld van de innovatieve manier waarop ONL projecten op zich neemt, is de bouw van de bekende showroom ‘de A2 Cockpit’ van Louwman Exclusive Cars (voorheen Hessing) aan de A2, die volledig geïntegreerd is met de geluidsschermen die daar langs de snelweg staan. Door de vormgeving van dit gebouw lijkt het voor de langsrijdende kijker net alsof de geluidschermen spontaan uiteenzetten om een ruimte te creëren, waarna ze op dezelfde vloeiende wijze weer dichter bij elkaar komen − als bij een Anaconda die een dikke prooi naar binnen heeft gewerkt. Dit specifieke, soepele ontwerp zorgde er echter wel voor dat er van de vijftigduizend bouwcomponenten waaruit het geheel is opgebouwd, geen twee dezelfde zijn. Een hoeveelheid die onmogelijk handmatig uit te werken is en bovendien ook nog hoge eisen stelt aan het aansluitende productieproces. Vandaar dat Joosen en zijn collega´s hun toevlucht zochten tot automatisering. “We hebben heel veel geprogrammeerd bij het ontwerp van dit gebouw. Daarbij hebben we niet alleen routines geschreven voor het ontwerpwerk, maar ook de koppeling met de productie gelegd. Op die manier konden de juiste componenten/onderdelen worden berekend en wisten we zeker dat deze exact zo zouden worden gemaakt als we hadden berekend. Er kon simpelweg niets meer misgaan tussen die twee disciplines. En dat is heel belangrijk, want dat betekent dat we de faalkosten niet zozeer terugdringen, als wel elimineren.”

 

De A2 Cockpit van Louwman Exclusive Cars van binnenuit.

De A2 Cockpit van Louwman Exclusive Cars van binnenuit.

Schuttingen
Joosen denkt dat er voor de bouw veel winst te behalen valt wanneer de verschillende onderdelen binnen een bouwproces aan elkaar worden gekoppeld. Hij heeft dan ook duidelijke kritiek op het idee achter BIM zoals hij dat vaak tegenkomt. “Wat ik zelf zie in de bouw is dat BIM als term als vergaarbak wordt gebruikt voor alles wat met digitaal ontwerpen te maken heeft. Als het maar digitaal is en als het maar op de een of andere manier uit te wisselen is, dan is het BIM en dan is het goed. In de praktijk zie ik echter vaak dat bij dat uitwisselen een heleboel misgaat: de ene partij levert een model aan de andere, maar die andere partij moet vervolgens allerlei trucs uithalen om de juiste informatie uit het model te krijgen. Maar als dat zo is, levert BIM geen wezenlijke voordelen op ten opzichte van de tijd waarin we nog allemaal tekeningen gebruikten! Iedereen gooit nog steeds zijn ontwerp bij een ander over de schutting onder het motto: je ziet maar wat je ermee doet.”
Het over de schutting gooien van informatie is Joosen een doorn in het oog. “Ik ken constructeurs en aannemers die de binnengekomen BIM-modellen laten uitkleden omdat ze veel te veel informatie krijgen. Dat is zonde, want op die manier wordt er extra werk gecreëerd, terwijl het idee van BIM toch is dat het bouwproces daarvan sneller en beter moet worden. Daarom moeten we ook echt af van het idee dat het ideaal is om één enkel centraal model voor alle partijen te hebben. Het gaat om de koppeling van gegevens, niet om het oneindig verzamelen van data. BIM hoort te draaien om samenwerking en het maken van goede afspraken.”

Maatwerk als serie
Gevraagd om een voorbeeld van goede afspraken en optimale uitwisseling in de praktijk, noemt Joosen de samenwerking met Meijers Staalbouw bij het project aan de A2. “Nadat we zelf met behulp van scripts de referentielijnen hadden bepaald voor het project, zijn we met de staalleverancier gaan praten. In plaats van dat we daar een order hebben geplaatst, hebben we gevraagd welke machines hij gebruikt om de onderdelen te snijden en welke data er nodig zijn om die machines aan te sturen.
Samen met de operator van die machine hebben we er vervolgens voor gezorgd dat het maakproces direct werd aangestuurd op basis van onze referentielijnen. Door het op die manier te automatiseren, konden we de machine seriematig aansturen, terwijl we toch maatwerk kregen! En dat was onder andere mogelijk omdat wij als architect onze verantwoordelijkheid namen en ons ook bemoeiden met de werkvoorbereiding en de uitvoering. We keken dus over de schutting heen, in plaats van onze data daar te dumpen.”
Door een dergelijke manier van produceren werd het werk op de bouwplaats bovendien ook nog eens eenvoudiger, zo legt Joosen uit. “We konden op deze manier veel nauwkeuriger bouwen. Alle onderdelen waren correct en ze hoefden op de bouwplaats alleen maar op de juiste manier met elkaar te worden verbonden. Het is een soort modulebouw geworden. Op de bouwplaats hebben ze dan ook geen tekening meer waar het hele gebouw met alle details uitgetekend op staat, maar een tekening waarop te zien is welke onderdelen bij elkaar horen en wat ermee gebeuren moet.”

Kleinere projecten
Dankzij de intensieve samenwerking met de constructeur, wist ONL zestig procent te besparen op het staalbudget, een winst van een miljoen euro. Dat zijn indrukwekkende cijfers, maar die roepen dan natuurlijk ook meteen de vraag op of de benadering die Joosen voorstaat ook zin heeft voor kleinere projecten. “Natuurlijk heeft het ook zin om voor kleinere projecten met andersoortige budgetten een dergelijk werkproces op te zetten. Voor ons was het budget bij dit project ook krap, maar juist door te investeren konden we de winst vinden. Het is dus niet gebonden aan de schaal van een project. Het is wel zo dat er veel meer winst te behalen valt bij een project met een complexe informatiestroom, dan bij een project met een relatief eenvoudige structuur. Maar met het totaalbudget van het bouwwerk heeft het echt niets te maken.”

Ook het Balna-gebouw in Boedapest, waarvan het model is te zien op de cover van Revit 2010, is uitgevoerd met Associative Information Modeling.

Ook het Balna-gebouw in Boedapest, waarvan het model is te zien op de cover van Revit 2010,
is uitgevoerd met Associative Information Modeling.

Gedistribueerd model
Het actief koppelen van bestaande ontwerp- en rekensoftware in combinatie met de samenwerking met leveranciers zoals Joosen heeft beschreven, wordt door de joint venture VAA.ONL AIM genoemd. Het samenwerkingsverband wil met dit concept aan de slag in zowel de stedenbouw, de architectuur, de industriële vormgeving als de beeldende kunst: ontwerpers moeten in alle gevallen het gehele bouwproces, van schets tot beheer, kunnen vatten in een (gedistribueerd) computermodel. Inmiddels is de ontwerpmethode niet alleen gebruikt bij het project aan de A2, maar ook bij de recent opgeleverde LIWA-toren in Abu Dhabi en het mixed-use cultureel centrum Bálna in Budapest. Daarnaast is de werkwijze door VAA.ONL geïntroduceerd bij opdrachtgevers in de Verenigde Arabische Emiraten, China en het Verenigd Koninkrijk.
Joosen vat de voordelen van AIM nog een keer samen zoals hij dat ook zou doen als hij het idee zou moeten verkopen aan potentiële opdrachtgevers: “Al vanaf de eerste ontwerpfase wordt zo veel mogelijk informatie gekoppeld aan het computermodel, bijvoorbeeld de tarieven van grondstoffen, omgevingsfactoren en bijkomende kosten. Zo weet een opdrachtgever te allen tijde precies wat zijn gebouw kost. En omdat de digitale ontwerpgegevens ook kunnen worden uitgewisseld met de fabrikanten, kunnen alle materialen op maat worden geleverd. Het productieproces wordt op die manier direct vanuit het ontwerpmodel aangestuurd, zonder tussenkomst van handwerk of conversies.”

Het iWeb op de campus van de TU Delft, tegenwoordig beschikbaar onder een Creative Commons-licentie.

Het iWeb op de campus van de TU Delft, tegenwoordig beschikbaar onder een Creative Commons-licentie.

Software niet belangrijk
AIM is anders dan ‘gewoon’ BIM omdat het niet uitgaat van een centraal model, maar van een compleet communicatiemodel op basis van open standaarden. Iedereen werkt daarmee dus op zijn eigen eiland met de software die hij nodig heeft voor zijn taak, zonder dat hij verplicht is om andermans systeem over te nemen. “De software is helemaal niet belangrijk binnen de filosofie van AIM”, zo stelt Joosen. “Natuurlijk, alles moet aan elkaar worden gekoppeld en het communicatiemodel moet kloppen, maar waar het echt om gaat binnen AIM is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken partijen. Binnen AIM zijn partijen gelijkwaardig en doet iedereen zijn best om het totale proces optimaal te laten verlopen. Dus er gaat niets meer over de schutting en iedereen heeft de wil om met elkaar zo snel, en zo goed mogelijk een project af te ronden. Dat is waar het echt om draait en dat is volgens mij ook de enige manier waarop we de volgende stap kunnen maken in de bouw.”

www.onl.eu
www.vanakenarchitecten.nl

Inzicht in protoBIM
Wie graag een AIM-project wil opstarten, hoeft niet zelf het wiel helemaal opnieuw uit te vinden, maar kan gebruikmaken van werk dat al gedaan is door architectenbureau ONL. Een van de projecten die het bureau volgens de principes van AIM heeft opgeleverd, was iWeb op de campus van de TU Delft. Ontworpen als paviljoen voor de provincie Noord-Holland op de Floriade 2002, kreeg het gebouw in 2006 een tweede leven als onderzoekslaboratorium voor de Hyperbody Research Group, faculteit Bouwkunde TU Delft. In 2008 brak er echter een brand uit nadat een lekkage bij een koffiezetapparaat voor kortsluiting had gezorgd. Het iWeb werd onherstelbaar beschadigd en is uiteindelijk in 2014 definitief gesloopt.
Onder het motto: ‘Ieder einde is de start van een nieuw begin’ heeft ONL besloten het iWeb onder de Creative Commons-licentie beschikbaar te stellen, door de ontwerp- en productiedata te uploaden op GitHub, een website die gebruikmaakt van Git − een vrij gedistribueerd versiebeheersysteem − om in groepen aan softwareontwikkeling te doen.
Het iWeb is destijds ontworpen om geproduceerd te worden met behulp van CNC-machines. Dit maakte het mogelijk om massaproductietechniek in te zetten voor het creëren van maatwerk. De dataset op GitHub bevat niet alleen de modellen die gebruikt zijn om het gebouw te produceren, maar tevens de diverse scripts en macro’s die ONL heeft geschreven om de modellen te vertalen naar CNC-productiegegevens.


Dit artikel is eerder verschenen in CAD-Magazine 7 – 2014.

 

No Comments Yet.

Leave a comment

You must be Logged in to post a comment.