Macro’s en instortvoorzieningen

5 september 2017

Welke ontwerper heeft het nooit gedacht: dit 3D-object zou in bovenaanzicht een beschrijvende tekst of symbool dienen te hebben? Of: het zou fantastisch zijn als ik verschillende detailleringsniveaus zou kunnen instellen voor mijn object? In beide gevallen bieden macro’s een oplossing. Deze stellen de gebruiker namelijk in staat om, afhankelijk van een bepaalde schaal of tekeningtype, een bepaalde weergave in te stellen. In dit artikel bekijken we wat we zoal kunnen doen met deze objecten.

 

Door Bert Van Overmeir

Waar worden tekeningtypes nu precies voor gebruikt? Dat hangt er een beetje van af. Een architect moet hierbij denken aan voorontwerp en bijvoorbeeld een bouwaanvraag, terwijl de ingenieur misschien meer moet denken aan bekistings- en wapeningsplannen.
De gebruiker kan in Allplan deze types definiëren en vervolgens per tekeningtype instellen hoe een object wordt weergegeven in aanzichten en snedes. Dit kan gaan van fillings en arceringen, tot het lijntype zelf. Bij het afdrukken van de plannen kiest de gebruiker in de tekeningopmaak voor een bepaald tekeningtype en het plan zal er volledig anders uitzien, ongeacht het feit dat met dezelfde bronbestanden wordt gewerkt. Tekeningtypes stellen de gebruiker zo in staat om, afhankelijk van het moment in het ontwerpproces, de gewenste detailgraad of weergave van de tekening in te stellen.

Folies

Het definiëren van een nieuwe macro in Allplan met onderaan de verschillende macrofolies. Hier ook de mogelijkheid om het plantype of de schaal in te stellen.

De tekeningtypes zijn ook te gebruiken in de dynamische macro’s. Wanneer de gebruiker een macro aanmaakt, dient hij allereerst verschillende folies te definiëren. Deze folies zijn te vergelijken met verschillende weergaven van een object in 2D en/of 3D. Voor elk van deze folies is te definiëren hoe en waar deze dient te worden weergegeven. In de afbeelding zijn een aantal folies te zien die zijn aangemaakt in een nieuwe macro.
In eerste instantie dient de gebruiker van Allplan Engineering een duidelijke keuze te maken tussen een macro die zich dient aan te passen aan de geselecteerde schaal in de tekeningopmaak en een macro die zich aanpast aan het tekeningtype. Wanneer voor een van deze twee opties is gekozen, dient de gebruiker ook te bepalen of hij wil dat de macro van vorm kan veranderen en wat er dan met alle afmetingen gebeurt. Op deze manier is het ook mogelijk om lineaire elementen te maken die kunnen worden uitgetrokken.

Instortvoorziening

Bij een macro wordt de functionaliteit beperkt tot het tonen van verschillende 3D-objecten en de mogelijkheid om verschillende bovenaanzichten te genereren. Een instortvoorziening is een volgende stap op het gebied van de dynamiek. Een instortvoorziening biedt namelijk de mogelijkheid om, naast de klassieke folies van het bovenaanzicht en het 3D-model, ook nog folies te definiëren van alle andere aanzichten. Zo kan de gebruiker helemaal zelf bepalen hoe een object dat bijvoorbeeld in 3D een bolvorm heeft, een rechthoek is in de aanzichten, waaronder ook het bovenaanzicht. Dit maakt het wederom mogelijk om ook bij instortvoorzieningen, die toch wel een hoge detailleringsgraad hebben, zelf te bepalen hoe deze uiteindelijk in de plannen worden weergegeven.
Instortvoorzieningen bieden niet alleen een aangepaste weergave, maar kunnen ook voorzien worden van interactieve onderdelen. Zo is het mogelijk om in de instortvoorziening op te nemen dat de gebruiker van het bestand een aantal vragen moet beantwoorden, waarvan de antwoorden vervolgens in het object worden opgeslagen. Deze attributen zijn dan weer verder te gebruiken in meetstaten en automatische labels die bij de objecten zijn te plaatsen.

Het definiëren van een instortvoorziening met enkele vragen die de gebruiker bij plaatsing dient te beantwoorden.

Bert van Overmeir is technical support engineer bij SCIA. Meer informatie over Allplan Engineering is te vinden op www.scia.net/nl.

Comments are closed.